dinsdag 12 november 2013

Mannuh! Luisteruh!


Mannuh! Luisteruh!

Het is crisis. Het staat op de voorpagina van alle kranten en wegzappen van het vreselijke nieuws lijkt ook al geen optie. Afstemmen op Radio 1 of BNR is ook af te raden wanneer de crisis tot depressiviteit zou kunnen leiden. Uit alle hoeken en gaten komen deskundigen gekropen die wat mij betreft de tijden van Van Kooten en De Bie weer doen herleven (http://www.youtube.com/watch?v=Inl-nCqpU2I) door niets toe te voegen en nog meer verwarring te zaaien over wat er nu werkelijk aan de hand is.
Wat opvalt is dat wanneer de allesbeheersende financiële crisis wordt besproken vaak wordt ingezoomd op dat wat het vandaag voor de portemonnee van ‘de mensen in het land’ betekent of gaat betekenen. Daarmee wordt een proces gestart dat de deskundigen die de details, de diepere achtergrond en bredere gevolgen willen belichten in het luchtledige laat praten. De luisteraar of kijker is zich namelijk allang aan het bedenken waar het zou kunnen gaan wringen in het huishoudbudget. Dat is menselijk en niks mis mee, maar grenst tegelijkertijd wel aan dat wat Maarten van Rossem ‘fact free politics’ noemt. Na een minuutje of vier legt hij het in dit fragment uit: http://www.youtube.com/watch?v=wHRYFNL65hU.
Zomaar aannemen wat een ander zegt en daarop jouw acties afstemmen, in hoeveel andere gevallen doet iemand dat? Er gebeuren hier dus twee dingen: de luisteraar kijkt, zonder de details te kennen en te weten of deze deskundige ook echt deskundig is, naar z’n eigen hachje en vergeet de rest van de boodschap waardoor hij de inhoud en de intentie van de ander mist en checkt daardoor vervolgens niet of hij de inhoud heeft begrepen en of die klopt.

De ruis op lijn die dat met zich meebrengt zie ik ook terug op de velden tijdens trainingen en wedstrijden. Voor alle coaches die nu denken “hij heeft helemaal gelijk, die spelers luisteren nooit, doen alleen maar wat ze zelf leuk vinden” heb ik slecht nieuws. Luisteren is vooral van belang voor coaches. Naast zelf in staat zijn om te luisteren wat de speler zegt en wil zeggen is weten wat de speler bedoelt een onmisbare vaardigheid voor elke coach. Iedereen heeft daarvoor twee instrumenten beschikbaar die alleen maar even aangezet hoeven te worden. Wanneer je het beeld aanzet bij het luisteren naar anderen dan kun je gaan ontdekken of datgene wat de ander zegt ook klopt met zijn lichaamshouding. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij luisteren mensen voor meer dan 50 procent de non-verbale communicatie van de ander meenemen bij het luisteren: kijkt de ander mij aan wanneer hij iets zegt, hoe houdt hij zijn handen en schouders, bloost hij, en zich daarnaast voor bijna 40 procent concentreren op hoe iemand iets zegt: praat de ander hard, zacht, stottert hij. Op het moment dat die non-verbale of para-verbale kenmerken overeenkomen met de boodschap kun je als coach met de daadwerkelijke inhoud aan de slag. Iemand die boosheid voelt zal wellicht harder praten en lichaamstaal inzetten om de boosheid kenbaar te maken en iemand die angst voelt kan gaan stotteren en blozen en zichzelf klein maken.
Wanneer de lichaamstaal of intonatie niet overeenkomen met de boodschap dan is het handig om dat eerste te benoemen. Er is dan bijna altijd iets anders aan de hand. Een speler die wegkijkend met zachte stem aan je vertelt hoe fijn hij het heeft in het team wil jou als coach wellicht iets anders zeggen.
Het andere instrument dat in principe altijd aanstaat is intuïtie. Nooit gehad dat je op een feestje binnenkwam, de kamer in keek en dacht: “Goh, gezellig, ik ben over een half uurtje weer weg hier”? Zo werkt het met jouw team ook. Je kan het gevoel hebben dat het team niet vooruit te branden lijkt of dat je terwijl je het veld opstapt ‘weet’ dat het ‘goed’ zit. De winst zit vervolgens in het benoemen van wat je voelt zodat je weet waar je op gaat sturen. Dat geldt vooral wanneer jij ‘denkt’ dat het team niet vooruit te branden is. Of de spelers herkennen dat niet, of ze hebben nu, nadat jij jouw intuïtieve gevoel met ze hebt gedeeld, de gelegenheid om te kijken naar hun houding en gedrag om waar nodig de knop om te zetten.
Als je in staat bent deze twee instrumenten aan te zetten dan ben je in staat te luisteren naar de ander en te voelen in jouw omgeving zonder je te bepreken door de gedachten over dat wat de ander zegt voor jou gaat betekenen. De populaire uitspraak dat luisteren het belangrijkste deel van communiceren is klopt als een bus: pas als je weet waar het over gaat en wat de ander echt bedoeld te zeggen kun jij jouw aandeel weer gaan hebben. Een coach die deze instrumenten gebruikt maakt dat zijn spelers weten dat het veilig is om dat wat voor hen belangrijk is met de coach te bespreken en tegelijkertijd ook donders goed dat ze het van de coach gaan terughoren wanneer ze niet congruent zijn in hun boodschap. De bonus is dat je dan direct in de gelegenheid bent jouw ideeën af te stemmen op de feedback uit de groep en de groep in dat beeld mee te nemen.
Op die manier creëer je ruimte voor focus op de prestatie in plaats van aandacht voor ‘ruis’. Vooral softballcoaches zullen hier veel profijt van hebben.
Er is altijd een alternatief. Je roept de groep bij elkaar, recht de rug en start met: “Mannuh! Luisteruh!” http://www.youtube.com/watch?v=qKs1YN73nh8

Marco Molleman.


Twitter: MarcoMolleman

Ik ben een fan van Ron Jans.


Ik ben een fan van Ron Jans.

Ooit, heel lang geleden was ik fan van spelers. In mijn jeugd waren dat Johan Cruijff en vooral Sjaak Swart. Van hem had ik een SRV pyjama. Na het behalen van een Europese titel complimenteerde de toenmalige koningin Juliana hem met zijn prachtige doelpunt en antwoordde Sjaak Swart: “Ach majesteit, ik ging toch die kant op…” vanaf dat moment wilde ik rugnummer 8 op mijn shirt.
Andere helden uit die tijd waren de fabelachtige Poolse doelman Jan Tomaszweski en Jan van Beveren.
Tomaszweski omdat Hugo Walker zijn naam zo geweldig uit kon spreken en ik een Pools schoolvriendje had en Jan van Beveren omdat hij veruit het mooiste hoofd van de Shell kopstukken bezat. Pas vorig jaar ontdekte ik dat Jan van Beveren een authentieke held was toen ik de documentaire over zijn voetbalcarrière zag. (http://www.sportgeschiedenis.nl/2011/06/26/mart-smeets-op-bezoek-bij-jan-van-beveren.aspx). Tot twee keer toe heb ik ademloos en met een brok in m’n keel zitten kijken naar een man wiens talent zowel binnen als buiten het voetbalveld uniek was.

Vandaag de dag zit ik op het puntje van mijn stoel wanneer Ron Jans of Gert Jan Verbeek op de buis zijn.

Wanneer Verbeek vanuit de middencirkel de warming-up van AZ gadeslaat zit ik stilletjes te juichen en mijn bloed gaat echt hard stromen wanneer ik Jans aan het werk zie.
Jans is Jans is Jans: altijd en overal dezelfde kerel. Hij belichaamt voor mij dé kwaliteiten van een leider en coach: hij is consequent en authentiek en daarmee de coach die ik wil zijn.
Sturend op eigen kracht en vermogen, afstemmend op de omgeving en daar waar nodig provocatief. Dat doet Jans. Hij weet wie hij is, wat hij kan, waar hij heen wil en wat er kan. Hij is zich bewust van de mogelijkheden in zijn omgeving en laat zich op die manier de pis niet lauw maken wanneer Heerenveen in de eerste serie wedstrijden van dit seizoen niet bijster goed presteert. Hij bouwt vanuit eigen kracht aan de prestatie en ziet die nu worden neergezet. Ron Jans kiest zijn eigen weg. Weet wat hij wil en laat dat zijn club tijdig weten zodat die club voor zichzelf kan gaan zorgen.

Billy Beane, de general manager van de Oakland A’s in de magistrale(!) honkbalfilm Moneyball benadrukt naast authenticiteit en consistentie wat je kunt bereiken met gebruik van objectiviteit. In Moneyball wordt duidelijk dat wanneer je blijft doen wat je altijd deed, je zult krijgen wat je altijd kreeg. Beane knokt en verzet zich tegen de oude normen die in stand worden gehouden door bevooroordeelde scouts en coaches met een dubbele agenda en een hekel aan verandering.

Beane heeft met zijn systeem vooral het verschil blootgelegd tussen denken en weten en horen en zien. De simpele vragen die je hiervoor kunt stellen zijn: “Denk je dat het zo is of weet je dat het zo is?” en “Heb je het van een ander gehoord of zelf gezien?”. Door te blijven kijken naar wat er nodig is kan hij zijn eigen pad blijven volgen en blijft hij authentiek aan zijn plan en aan zichzelf. Zijn objectiviteit, die besloten ligt in een andere wijze van kijken naar de statistieken van spelers, helpt hem consistent te blijven.
Hij leidt de A’s soms met ijzeren vuist, neemt risico’s met zijn scouts en coaches, laat de spelers zien hoe hard het MLB systeem kan zijn en stuurt tegelijkertijd nooit op persoonlijke voorkeur of willekeur.
Beane begrijpt als geen ander dat alleen vanuit prestaties resultaat kan worden geboekt en kijkt daarbij naar het gemeenschappelijk doel.

Een aangrijpend element in de film (en ongetwijfeld ook het boek dat ik nog ga lezen) is dat Beane als aanstormend jeugdtalent de stap naar de Major League maar nauwelijks kan maken. Dat maakt zijn eigen verandering en motivatie nog bewonderingswaardiger.
Ron Jans heeft als speler een soortgelijke carrière doorgemaakt en is nu de langstzittende hoofdcoach in de Eredivisie.

En nee, de A’s hebben aan zijn manier van leiden geen World Series ringen overgehouden, maar dat komt wellicht vooral omdat alle clubs het systeem van Beane hebben overgenomen.
Eén van de clubs is de Boston Red Sox. Aan het einde van 2002 bieden zij Beane de baan van general manager aan. Hij blijft trouw aan de A´s, de Red Sox adopteren zijn meetsysteem en schrijven twee jaar later geschiedenis.

En zo kwam het dat ik op 27 oktober 2004 dansend, juichend en schreeuwend om half zes ´s ochtends de halve straat wekte. Na jarenlang achtervolgd te zijn door beelden van eerste honkmannen die ballen door hun benen laten glippen en de eeuwige successen van Babe Ruth bij de club-die-niet-genoemd-zal-worden (en wiens stadion door de Red Sox aanhang nog steeds “The House Of Pain” wordt genoemd) was de vloek van de Bambino eindelijk voorbij.

Billy Beane, bedankt!

Ron Jans, blijf coachen, ik wil  nog een hoop van je leren.

Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman


(Rechts)omdenken


(Rechts)omdenken.

Al gedaan? In een door het avonddonker omhuld clubhuis de eerste bijeenkomst met de nieuwe beoogde selectie gehad? Gesproken over jouw ideeën voor het komend jaar?
En, waren jouw spelers het er mee eens? Tuurlijk, zolang er nog geen druk op de ketel staat vinden ze alles een goed plan. Ze zitten zelf ook vol goede moed en goede plannen.
Heb je daar naar gevraagd? Nee? Geen paniek: het kan nog.
Nog geen eerste teambespreking gehad? Zo ga ik het doen:

Even voor de duidelijkheid: natuurlijk heb ik samen met mijn collega coaches samengezeten en een eerste opzet voor het komend jaar gemaakt. Degelijk en nauwelijks spectaculair voor hen die dit al een tijdje doen.
In de aanpak naar het team toe gaan we met ons plan in de achterzak een andere volgorde aanhouden. Tijdens onze eerste teambespreking stellen we, zonder uitleg vooraf, vier vragen.
1. Wat wil je bereiken dit jaar?
2. Hoe ga dit verknallen?
3. Wat heb je nodig om toch bij jouw doel te komen?
4. Wat maakt dat je de opsomming van vraag 3 nodig hebt?

De antwoorden op de eerste vraag laten zich gemakkelijk raden: “plezier hebben, handhaven, kampioen worden, zelf beter worden, enz.”
De antwoorden op vraag twee vormen de start van ‘negative brainstorming’ of ‘reversed brainstorming’, een techniek die vanuit de versterking van een probleemstelling een oplossing distilleert.
Let op hoe snel deze antwoorden op tafel komen. Echt, geloof me, deze vraag beantwoorden gaat in een rondetijd van minder dan twee minuten.
De mogelijkheden voor de oplossing van de mogelijke problemen op weg naar het doel uit vraag één komen aan de orde in de antwoorden op vraag drie.
Dit lijkt aanvankelijk ook vrij snel te gaan: wat is er makkelijker dan de antwoorden uit de vorige vraag omdraaien? Toch gaan de spelers zien dat die vlieger niet altijd opgaat. Reken hier op een wat langere rondetijd.
De ‘kneep’ zit in de laatste vraag: die brengt de spelers terug bij de eerder genoemde doelen: Wat maakt dat we alles wat we noemen om het teamdoel te bereiken nodig hebben? Welke betekenis hebben die zaken of activiteiten voor ons? Wat willen we samen?

In het bovenstaande procesje schaaf ik een beetje aan de techniek van ‘negative brainstorming’ (daarin wordt in de regel gestart met een probleem en wordt door dat probleem te verergeren de weg naar een oplossing gevonden) om zodoende te toepasbaarheid op een team sporters van toepassing te laten zijn. Met name een groep jonge sporters is prima in staat om op deze wijze een eerste invulling te geven aan de start van een seizoen. Junioren hebben een prima beeld van wat zij willen en hoe voor hen en het team het jaar er uit kan zien. Vraag hen gerust naar het uiteindelijk aantal spelers van de selectie. Ook dat antwoord hebben zij paraat.

Wanneer je een teambespreking zo inricht zijn de spelers meteen aan zet en krijgt de avond een heel andere dynamiek dan die van de reguliere bespreking waarin de coach de doelen en afspraken voor het komend jaar voorleest.
De spelers vullen het plan in en de coach kan door het stellen van vragen dat proces faciliteren en positief manipuleren.
De ervaring leert dat de spelers op eigen kracht de 80-20 regel halen. 80 procent van dat wat in jouw plan staat komt tijdens de bespreking zonder aanvullende vragen van jouw kant naar voren. De laatste 20 procent haal je naar voren door het stellen van vragen over de punten die de spelers aanbrengen. Zoek daarbij naar verdieping en betekenis. Dat laatste wordt namelijk gecheckt in de vierde vraag. Op dat punt maak je de koppeling naar het doel dat eerder is genoemd. Op die manier haal je misschien wel 110 of meer procent. Doordat de spelers hun ideeën vrijelijk mogen uiten is de kans aanwezig dat ze met punten komen die jij nog niet hebt bedacht en krijg je tijdens zo’n gesprek een aardig inzicht in potentiele kandidaten voor het aanvoerderschap.

Aan het eind vat je samen door de genoemde doelen en de activiteiten die daar bij horen te herhalen en vraag je bij elk punt of je begrepen hebt wat er is bedoeld en of dat er nu ook zo staat.
Wanneer je die samenvatting vervolgens als bevestiging van wat is afgesproken de volgende dag ook nog eens mailt aan alle betrokkenen, dan heb je het team in een snelkookpan geblancheerd naar een nieuw seizoen toe.

Eerste bespreking al gehad? Dan ga je over op slow cooking. Gebruik de eerste zaaltrainingen om de vragen alsnog te stellen. Begin bijvoorbeeld met de uitkomst van de teambespreking om een bruggetje naar vraag twee te maken.

De volgende stap in het recept is om de spelers los te laten. Geef ze de nodige ruimte om te ontdekken of dat wat is besproken en afgesproken ook echt gaat werken. Uiteindelijk is de eerste pitch nog ver weg en heb jij als coach nog mogelijkheden te over om de ploeg tot een team te smeden.


Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman


dinsdag 8 november 2011

Kikkerlandje




Ik ben een beetje verward.
Meer dan dertig jaar geleden zat ik op de tribune tijdens de Haarlemse Honkbal Week en zag Cuba spelen. Geen idee tegen wie. Dat deed er ook niet toe. Ik keek met open mond naar een ploeg waar nooit, nooit, nooit, nooit van gewonnen kon worden. De suprematie van Cuba ging gepaard met souplesse, precisie en plezier waaraan nooit, nooit, nooit, nooit getipt ging worden.
Honkbal minnend Nederland heeft het bewijs van het tegendeel met gejuich ontvangen en ik zat weer met open mond te kijken. Na wat verdwaalde en weggewuifde overwinningen op grootmacht Cuba in het verleden won Nederland tot twee keer toe van deze onverslaanbare tegenstander.
Het onmogelijke was daarmee gebeurd: het kikkerlandje werd wereldkampioen.
Ontwakend uit de droom realiseer ik mij dat niets onmogelijk is en ook hier toeval niet bestaat.
Robert Eenhoorn heeft als architect achter dit succes hard gevochten en hard gewerkt om dit alles mogelijk te maken. Hij heeft met veel geduld afgerekend met de spruitjeslucht die jarenlang rondom de selectie van het Nederlands team hing en zichzelf zo in staat gesteld zijn netwerk te benutten en te bouwen aan een Nederlands team dat wordt gezien en meedoet om de prijzen. Hij heeft met zorg gemanoeuvreerd om de ego’s die hun clubbelangen bij het minste of geringste in de strijd gooiden te overtuigen van het gemeenschappelijk belang van een zo aansprekend mogelijk Nederlands team. En hij is met glans geslaagd. Eenhoorn heeft met zijn streven het Nederlands honkbal voor altijd veranderd. Die blijvende verandering uit zich niet alleen in de behaalde wereldtitel. De Nederlandse competitie is sterk genoeg geworden om een basis te leggen voor een team dat op een WK kan meedoen om de prijzen.
Eenhoorn heeft laten zien dat je met visie, een plan, volharding en benutting van jouw omgeving kan bouwen aan een prestatie die dit jaar tot een welhaast onwaarschijnlijk resultaat heeft geleid.
Ik ben nog steeds een beetje verward.
Het Nederlands softbalteam is deze zomer in Italië met een verpletterende overwinning in de finale op het gastland Europees kampioen geworden. Een prachtig resultaat waarin de hand van Craig Montvidas duidelijk zichtbaar is. Craig werkt in de basis onder gelijke omstandigheden als Robert: visie, plan, netwerk, volharding. Beetje minder geld misschien. Zou kunnen. Ook Craig heeft zijn volharding keihard nodig. Wanneer ik de discussies tijdens de topsport overleggen volg, of de notulen lees, komt er slechts één woord boven: spruitjeslucht. Het is angstaanjagend, en soms een beetje lachwekkend, om te zien en te lezen hoe de clubs en de KNBSB tegenover elkaar staan omdat zij elkaar niet willen zien of begrijpen. Waar honkballend Nederland nog rood aanloopt tijdens discussies over de verhouding van de Baseball Academies en de clubs, zien we in softballand al rode konen als het gaat om de deelname van Jong Oranje in de hoofdklasse, of überhaupt de competitieplanning op zich. Spruitjeslucht. Ook in softballand overwoekert de korte termijnpolitiek het lange termijn plan. Iedereen wil succesvol zijn en daar het liefst zijn eigen naam aan verbinden. Tegelijkertijd roepen diezelfde mensen dat ze willen dat softbal groeit in Nederland. Toch lijkt het mechanisme van clubs versus de KNBSB voeding te blijven geven aan het gegeven dat het één wel degelijk het ander uitsluit. Ik snap de positie van de clubs en zie de intentie van de KNBSB. Ik kan daarnaast ook begrijpen dat het lastig is de gemeenschappelijke grond zo in te richten dat de belangen van alle partijen zijn gediend. Het resultaat is gestuntel, extrapolatie en vooral stilstand. Met de eigen belangen in het achterhoofd gaan de clubs akkoord met een gekunsteld voorstel met betrekking tot de deelname van Jong Oranje in de hoofdklasse en blijft dit idee een halfbakken vehikel.
Om softballend Nederland uit de impasse te halen heb ik een ideetje. Dat ideetje kwam in mij op toen ik het geweldige (lees: ge-wel-di-ge) nieuws vernam dat het wereldkampioenschap softball in 2014 aan Nederland is toegewezen. Ik weet dat de lobby (plan!) daarvoor al een tijdje loopt en ben zelf al aan het voorgenieten.
Tegelijkertijd bedacht ik mij dit weekend dat de weg naar het WK softball van 2014 een fantastische (lees: fan-tas-ti-sche) kans biedt om de handen ineen te slaan.
Het WK in eigen land is een gouden kans om “all the wood behind one arrow” te krijgen. Vanaf vandaag alle aandacht richten op het WK en de komende tweeënhalf jaar doorstomen naar dat evenement.
Alle aandacht richten op het WK is voor mij het effect van de aanwezigheid van de wereldtop maximaliseren en groei van softbal in Nederland als meetlat daarvoor gebruiken. Dus…. …nu al plannen ontwikkelen over hoe tijdens het schooljaar 2013 – 2014 de scholen (in ieder geval in de regio Haarlem en Amsterdam) kunnen worden voorzien van een aantrekkelijk begeleidend programma voor softball tijdens de gymnastiekles. De Holland Tour van het Nederlands team uitbreiden en verbreden met een Future Stars component. In die Future Stars competitie strijden lokale verenigingen voor een regionaal kampioenschap in de Dutch League. Dat regionaal kampioenschap geeft recht op een plek in het Final Four Tournament. Het Final Four Tournament wordt tijdens het WK in Haarlem gespeeld. Wat is er mooier voor een jeugdteam uit Moergestel om ’s ochtends te mogen spelen op het complex van het wereldkampioenschap en ’s middags naar USA – Canada te mogen kijken?
Ondertussen ga ik er voor het gemak van uit dat de KNBSB en de ISF hebben besloten dat het WK net voor de aanvang van de zomervakanties wordt gespeeld en dat de verenigingen en de competitieleiders als vanzelf begrijpen dat tijdens zo’n uniek toernooi de competitie wordt stilgelegd zodat alle liefhebbers in de gelegenheid zijn om de wedstrijden te bezoeken.
Wanneer nu ook diezelfde verenigingen en de bondscoach de voorbereidingen op het WK gezamenlijk ruimte gaan geven, dan maakt het Nederlands team een kans om verder te reiken dan “the best of the rest”. Spelen in eigen land voor volgepakte tribunes gaat ongetwijfeld de sfeer van het Olympisch Kwalificatie Toernooi in 1995 terugbrengen.
Wanneer ik daar aan terugdenk raak ik weer een beetje verward.
Nederland kikkerland? Nederland kick ass land!

Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman


vrijdag 9 september 2011

De baan is blauw.



Half huilend van frustratie en teleurstelling staat ze de pers te woord: Dafne Schippers, de nieuwe Nederlandse recordhoudster op de 200 meter (http://bit.ly/rmh4R3).

In dé Voetbal International van 27 juli jongstleden hekelt inspanningsfysioloog Raymond Verheijen de net-niet mentaliteit van de Nederlandse sporters. In de openingszinnen van het interview dat Antionette Scheulderman met hem had zegt hij het volgende: “In Nederland roepen we iemand die niets heeft gewonnen tot Coach van het Jaar uit (Bert van Marwijk (MM)). Sportploeg van het Jaar wordt een elftal dat de WK-finale verloor. In de VS zou dat ondenkbaar zijn. Wij vinden Robert Gesink een zeikerd omdat hij de Tour de France niet wint. Maar Gesink is gewoon een product van Nederland. Wij brengen veel net-niet sporters voort, omdat ze opgroeien in een cultuur van ‘doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg’.”

In deze context kun je toch nauwelijks zeggen dat Dafne Schippers een net-niet sportster is. Ze is er in geslaagd om het dertig jaar (!) oude record van Els Vader uit de boeken te lopen. Hoe kan het dan dat ze niet in die euforie kan blijven in een volgende 200 meter race? Hoe is het mogelijk dat zij zich zo laat afleiden, en eigenlijk erger nog: afbluffen door haar omgeving? Haar oprechtheid naar de interviewer is mooi. Door haar ervaringen te delen laat ze haar intentie zien, geeft ze inzicht in waar het mis ging en geeft ze zichzelf en in ieder geval mij een kans om te leren. Petje af voor Dafne: negentien jaar oud en dan al zo slim om te weten dat delen altijd leren is.

Raymond Verheijen koppelt de net-niet mentaliteit enerzijds aan onze volksaard, anderzijds aan de wijze waarop onze maatschappij is ingericht: slagen als sporter betekent in de Verenigde Staten het verschil tussen slagen en falen in de maatschappij, in Nederland ga je gewoon wat anders doen.
Gaandeweg het interview verlegt hij zijn aandacht naar de wijze waarop voetbaltrainers hun trainingen inrichten en de resultaten van hun teams. Verheijen is een internationaal befaamd expert op het gebied van periodisering in trainingsopbouw en hekelt onder meer de trainers van clubs die hun spelers nog maar net van het strand geplukt tot het uiterste laten gaan om op tijd klaar gestoomd te zijn voor de start van de competitie.

Met dat in het achterhoofd gaan mijn gedachten terug naar de gefrustreerde Dafne Schippers en snap ik eigenlijk niet hoe het mogelijk is dat zij zich zo heeft laten piepelen tijdens die teleurstellende 200 meter race. Zelf zegt zij vooral last te hebben gehad van het verschil in sfeer tussen de meerkampsters en de sprintsters waarmee ze later op de baan stond. Wanneer ik dat hoor dan breekt mijn klomp. Ik kan mij echt met geen mogelijkheid voorstellen dat er niet iemand is geweest die voorafgaande aan die race tegen haar heeft gezegd: “Dafne, luister: je bent in bloedvorm, je loopt zojuist een persoonlijk en een Nederlands record, je schrijft geschiedenis, je weet nu precies wat je kunt. In de volgende race is alles hetzelfde: jij bent jij, vandaag is vandaag, 200 meter is 200 meter en de baan is blauw. Geniet van het moment.”
Sterker nog, die iemand had al direct na de recordrace van Dafne met haar samen kunnen zitten om dat flow moment te ankeren zodat het opnieuw kon worden opgeroepen voor de 200 meter kwalificatierace of welk ander moment in de nabije toekomst ook.
Ankeren? Ankeren is een techniek die maakt dat een bepaalde ‘staat’ waarin je verkeert in het brein kan worden opgeslagen om zo bij activering van dat ankeren die ‘staat’ en het daarbij behorende gevoel en gedrag weer te herinneren en te kunnen gebruiken. Voor sporters kunnen ankers heel effectief zijn om bijvoorbeeld weer terug te komen in een ‘flow’ moment en zo gemakkelijker naar een nieuwe prestatie te komen.

Het gebruik van ankers is simpel. Een anker kan een woord of een aanraking zijn. Net als met alles in het leven is zorgvuldigheid ook hier geboden. Zelf dokteren op het internet is een mogelijkheid (http://bit.ly/R1F8L). Ankeren met behulp van een NLP geschoolde coach is aan te raden: zo’n coach ziet wat bij jou past, kent het proces en de valkuilen en verkent extra mogelijkheden.

Wanneer je in staat bent om jouw anker(s) effectief te gebruiken, dan geef je jezelf de gelegenheid om je maximaal te focussen op jouw taak. En focus vergroot de prestatie.

Wat zou er zijn gebeurd wanneer Dafne die sprintsters (lees: rotwijven) in de banen naast haar had kunnen negeren omdat ze met haar anker uit de vorige race precies wist hoe toegerust ze die dag was om haar taak maximaal uit te voeren?
Het antwoord is simpel: dan had ze geweten dat zij de Nederlandse recordhoudster is, net een persoonlijk record had gelopen, de afstand gewoon weer 200 meter zou zijn en de baan nog net zo blauw was. In die gedachtengang is geen plaats voor rotwijven of stress. In die gedachtengang is alleen plaats voor de mooiste 200 meter die je je kunt wensen.


Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman

donderdag 4 augustus 2011

Moet kunnen




Op die ene dag dat het de afgelopen weken niet regent sta ik met m’n banaantje en bidon met water naast mijn fiets te wachten op de aankomst van de pont bij Buitenhuis.
Vanaf de rotonde zie ik een geel ongemarkeerd busje naderen dat stopt naast de snackbar. Terwijl de motor nog loopt stapt de chauffeur uit om zich te spoeden naar de balie van de snackbar en vrijwel direct weer achter het stuur te kruipen. Nu wel twee blikjes bier rijker.
Er schieten allerlei gedachten door mijn hoofd die er weer uitwaaien op het moment dat de pont zachtjes tegen de kade stoot.
Even later sta ik met een aantal andere fietsers op de voorplecht. De brommerrijder naast ons zet zijn helm af, reikt in zijn tas waar een blikje bier uitkomt, opent het blikje en neemt een eerste teug.
Er gaat weer van alles door mijn hoofd als ik schuin achter mij hoor “Zo meneer, alcohol in het verkeer, kan dat wel?”. Wat volgt is een discussie waarin de wat oudere brommerrijder uitlegt dat één biertje toch moet kunnen en de omstanders, met de overkant van het kanaal in zicht, zijn argumenten met de mantel der liefde bedekken.
Ik fiets richting Spaarndam en probeer mijn gedachten te ordenen. In de afgelopen tien minuten heb ik drie blikjes bier het verkeer in zien gaan en hoewel ik niet roomser dan de paus wil zijn, vind ik dat toch lastig. “Moet kunnen” is een veelgehoord antwoord. En tsja, waar heb ik het over? De wetgever staat twee biertjes in combinatie met achter het stuur kruipen gewoon toe, dus waar bemoei ik mij mee?
Ik bemoei mij met mijzelf. Ik heb al moeite genoeg om de gaten en hobbels in het fietspad te ontwijken en geen tijd en zin om er bij stil te staan dat een afslaande automobilist, of wie dan ook, misschien twee biertjes opheeft en daardoor wat overmoedig in zijn inschatting van de bocht kan zijn.

Los van het feit dat ik van mening ben dat alcohol en verkeer niet samengaan wordt dit geen pamflet dat die mening nog eens onderstreept.
Ooit zei een onderwijzer tegen ons “Hier mag je alles, zolang een ander er geen last van heeft.” “OK!” juichten wij. Dat gejuich was uiteraard slechts van korte duur. Onze onderwijzer was met zijn opmerking een mooi experiment in verantwoordelijkheid en samenwerking gestart. In de eerste dagen heerste er een sfeer met een hoog “moet kunnen” gehalte. Het laat zich raden dat die zogenaamde euforie niet lang duurde. De ergernissen stapelden zich op en langzaam ontspon zich een web van geschreven en ongeschreven regels die de klas tot een duidelijke en fijne plek maakten. Zodra je over de drempel van het lokaal stapte wist je waar je aan toe was. Met name de ongeschreven regels maakten het verschil. Al snel hadden we in de gaten dat corrigeren van ongewenst gedrag op zich al inbreuk maakte op de sfeer in de klas. Juist die wetenschap zorgde ervoor dat iedereen op zijn of haar eigen gedrag ging letten, in plaats van kijken of er op het gedrag van iemand anders wat aan te merken was.
Wat er op dat moment echt gaande was, dat begrepen wij als jongetjes en meisjes van elf jaar oud niet helemaal. We zagen wel dat we het leuk hadden en dat leerlingen die zich wilde onttrekken aan het proces zichzelf buiten de groep plaatsten en snel terug stapten toen ze merkten dat er geen plek meer was voor een ‘moet kunnen’ mentaliteit.
Dat de onderwijzer ons naar zelf verantwoordelijk zijn had gebracht kwam vanzelfsprekend niet in ons op. Dat hoefde ook niet, want het was gewoon leuk op school. Ik weet nog goed dat ik vooral ’s middags, ik was als kleine jongen al geen ochtendmens, al weer heel vroeg naar het schoolplein trok om daar te voetballen of te rolschaatsen met m’n vrienden.
Ik weet ook nog hoe stuk iedereen zat toen de bewuste onderwijzer zei dat hij ging verhuizen. Met zijn voorbeeldgedrag en positieve sturing had hij bij ons veel veranderd. Meneer Harmsen en zijn manier van lesgeven hebben mij nooit meer losgelaten.

Wanneer je binnenkort als coach, nieuwsgierig naar de vakantieverhalen en op weg naar de eerste training na de vakantie, op het pad naar het veld jouw speelsters al ziet staan, dan weet je dat er ook een stukje ‘meneer Harmsen’ in jou zit. Koester het.

Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman

maandag 27 juni 2011

Team!



Wat ik wel eens zou willen weten is hoeveel teams de tweede helft van de competitie straks starten met dezelfde speelsters als aan het begin van het seizoen.
Ik stel die vraag omdat ik sowieso in die situatie kom: één van mijn speelsters vervolgt in augustus haar studie voor zes maanden in Zweden. Ik weet dat haar tijdelijke vertrek gevolgen gaat hebben voor het groepsproces in mijn team. Ik weet dat, omdat dat altijd zo is. Wanneer iemand uit een groep wegvalt of iemand daaraan wordt toegevoegd dan start het groepsproces automatisch opnieuw op. Veel Amerikaanse komische series hebben daar hun thema van gemaakt. ‘Friends’ is misschien wel het mooiste voorbeeld. Wanneer een nieuw personage aan de hechte groep van zes vrienden wordt toegevoegd of de onderlinge verhoudingen binnen de groep veranderen gaat plots iedereen zich anders gedragen en kunnen de verhoudingen permanent veranderen.

In honk- en softbalteams zie je dat ook gebeuren: de Amerikaanse werper die in juni arriveert en de plaats van de werper die in het voorseizoen en het eerste deel van de competitie de kar heeft mogen trekken inneemt is het meest voor de hand liggende voorbeeld. Veel, vaak en langdurig gebruik maken van wisselspelers uit andere teams kan hetzelfde effect hebben. Let wel: voor beide teams.

Zelf heb ik wat dat betreft alle geluk van de wereld gehad. Ik startte onverwacht als coach een paar dagen voordat het team naar het toernooi van Roef! in Moergestel vertrok. Daar kwam het team in de ultieme snelkookpan terecht die binnen anderhalve dag een einde maakte aan de los zand periode die aan het begin van de ontwikkeling van elk team staat. Omringd met precies de goede mensen zag ik hoe het team door het volle programma, de twee overnachtingen en de blessure die we opliepen op zaterdag, het toernooi als een compelling event ervoer dat de speelsters in één ruk door twee fases naar de Performing fase trok.
Er was in dat weekend gewoonweg geen tijd om de piketpaaltjes neer te zetten en de eigen plek binnen het team af te bakenen. Zowel de veertienjarige als de negentienjarige begrepen dat samen het meeste plezier gemaakt kon worden en vonden elkaar vervolgens ook binnen de lijnen van het veld.
Niemand nam elkaar de maat en de jongste daagde de ouderen uit voor een ritje op de bobslee (iets wat ik gelukkig op zondagavond ter hoogte van Amsterdam pas hoorde).
De zogenaamde Storming fase, waarin een team zijn richting zoekt, voltrok zich voor ons in sneltreinvaart onder ideale omstandigheden en zorgde ervoor dat afspraken maken en teamrollen verdelen bijna vanzelf ging. In de daaropvolgende Norming fase werd op basis van het plezier dat we samen hadden heel hard gewerkt en bleek op de laatste dag dat we als loon naar werken ook nog een finaleplaats hadden bereikt.

Net nieuw bij een team is het voor mij als coach vooral kijken en luisteren om af te kunnen stemmen op de groep. Met de andere coaches en begeleiders had ik vooraf duidelijke afspraken gemaakt over wie welke rol had en was er in veel gevallen aan een onderlinge blik en half woord genoeg om aan te geven wat we van elkaar nodig hadden.
Zo kreeg de groep maximale ruimte om zich in de snelkookpan tot team te smeden.
Pas in de weken daarna ben ik de basis van het presteren gaan aanscherpen. Met de onontbeerlijke randvoorwaarde plezier kan dat nu ook vrij gemakkelijk. Presteren gaat, op welk niveau dan ook, vooral over verantwoordelijk zijn voor dat wat je doet. Wanneer het gaat om de individuele taak in het veld of aan slag, dan richt ik mij vooral op de rol van de speelster binnen het team. De verantwoordelijkheid van het team kan daarnaast naar voren komen in heel simpele dingen zoals het gezamenlijk prepareren van het veld en zorgdragen voor het materiaal.

Elke eerste training na een competitiedubbel start ik met een praatje over die wedstrijden. Ik vraag dan wat we hebben geleerd en vertel vervolgens wat ik zelf heb gezien en gehoord. Vorige week ben ik dat praatje begonnen met te vertellen wat ik heb geleerd van mijn blunder tegen Twins. Dat schept een sfeer van mogen en kunnen leren en ook klaar mogen zijn met wat er misging.
Zien wat er in dat soort gesprekjes gebeurt is voor mij het grote genieten.

En na de stop? Na de stop start voor ons het hele circus opnieuw. Voor die tijd is het zaak om de in ons geval tijdelijk afwezige speelster uit te zwaaien zodat ze in 2012 kan terugkeren in het team. De laatste fase in het teamproces (Adjourning) is een absolute voorwaarde voor alle teams om in de aanloop naar een nieuw seizoen of volgend toernooi te kunnen starten met de Forming fase.

Marco Molleman.

Twitter: MarcoMolleman

vrijdag 24 juni 2011

Crime Scene

Terug naar de plek van het misdrijf was het niet echt... ...en toch voelde het zo.
Ik merk dat ik de weg naar de plek waar ik een paar weken op heel onbenullige wijze van mijn racefiets ben gevallen bijna niet durf over te steken. Alleen die ervaring maakt het al relevant dat ik toch naar die oversteek bij Halfweg ben gefietst om eens uit te zoeken waar en hoe ik nu eigenlijk ben gevallen. Bijna bibberend pak ik de camera om de plek te filmen. Dit keer zie ik de hobbel waarop ik aanzettend met m'n kont van het zadel tijdens het nemen van de bocht onderuit ben gaan. Nu zie ik de gaten en hobbels in het fietspad wel en kan ik snappen hoe het komt dat ik voorover op m'n buik in het gras ben beland. Nog zoekend naar die eigenwijze kat berg ik mijn camera weer op en gaan mijn gedachten terug naar de hulpeloosheid die ik voelde terwijl ik in het gras lag. De pijn in m'n schouder verhinderde dat ik op kon staan en de onmacht die daaruit volgde liet geen ruimte voor de vraag hoe ik zo in het gras terecht was gekomen. Ik was gevallen, dat snapte ik nog. Maar hoe en in welke richting? Geen idee. Geen fijne constatering voor een control freak als ik. Loslaten dan maar? Weer zat die pijn in de weg. Gelukkig was die nu meer irritant aan het worden waardoor ik wist dat ik weer aan het nadenken was. De stemmen van een hardloopster en later andere voorbijgangers brachten mij terug naar de werkelijkheid. Ik werd omhoog geholpen en overspoeld door een golf van misselijkheid. Shit, wat is er nog meer aan de hand dan alleen m'n schouder en m'n heup? Vriendelijk aangeboden water verergerde de misselijkheid. Wat nu? Een echtpaar uit Heemskerk had inmiddels buiten mijn beeld de auto geparkeerd en de man bleek mij het water te hebben gegeven. Wist ik veel. Ik wist niet eens hoe ik erbij zat en zag nu pas het bloed op mijn hand. Schaafwond. OK dus. Met mijn fiets nog midden op het pad begon de man naast mij plannen te maken en zijn vrouw uit te leggen dat hij mij naar huis ging brengen en haar met de hond achter zou laten. Ondanks de misselijkheid voelde ik mijn lijf bijna meteen ontspannen. Over opstaan had ik nog niet nagedacht, maar met de wetenschap dat ik thuis zou komen konden mijn hersenen stoppen met het draaien van overuren en ik weer om mij heen kijken.
Eenmaal naast de man in de auto waren we het er snel over eens dat "je dit toch gewoon doet wanneer er iemand op de grond ligt". Ik moest meteen weer denken aan de verwarde en verdwaalde Turkse man en de vrouw in de Amsterdamse tram en wist dat er tussen 'vinden dat iets hoort' en 'het gewoon doen' nog wel een paar stappen zitten. Wel fijn om te weten dat er naast de zorgen om de mogelijke consequenties van de pijn in m'n schouder nog ruimte was voor wat overpeinzing. 
En dan zo'n kerel naast me die vrouw en hond achterlaat om mij thuis te brengen. Dat geeft een geweldig gevoel: "hoe zou de wereld er uitzien wanneer iedereen elkaar op deze manier zou helpen?" beargumenteren we inmiddels wat vrolijker verder. Ondertussen vertelt hij mij hoe hij opkomende onenigheden in zijn poppodium in Heemskerk oplost.
Er schiet een pijnscheut door mijn schouder. Dat tempert mijn vrolijkheid en verhoogt de peinsgrens. De wereld zou er prachtig uitzien. Verwarde Turkse meneren zouden geen tijd krijgen om verward te zijn en mevrouwen in trams hadden altijd de beste plaatsen zonder zich daar over te verbazen. En ik was weer andere mensen aan het helpen.

Doorfietsend van de plek des onheils raak ik zo in gedachten verzonken dat ik nog geen vijfhonderd meter later bijna een levensgrote wegversperring raak. In een flits stuur ik om het grote niet-te-missen rood-witte gevaarte heen en haal opgelucht adem terwijl ik in een soort van niemandsland de pedalen zachtjes laat peddelen.
Ik draai om, fiets de bewoonde wereld weer in en ben blij dat ik weer kan vertrouwen op mijn reflexen.
Binnenkort maar eens naar de Nozem en de Non in Heemskerk om te zien hoe het met mijn redder is.


zondag 19 juni 2011

Andries Knevel: mijn leermeester.

Ik erger mij groen en geel aan Andries Knevel.
Nu ben ik wat dat betreft waarschijnlijk in goed gezelschap, of in ieder geval in groot gezelschap, maar dat maakt mijn ergernis er niet minder op. Hoe zit dat, met die ergernis van mij? Wat doet Andries dat er voor zorgt dat ik hem vol afschuw wegzap? De nieuwsgierigheid groeit wanneer ik mij besef dat Carl Jung al stelde dat alles wat ons in anderen interesseert (lees hier: ergert), ons iets kan doen begrijpen over onszelf.
En dan, zomaar zonder enige aanleiding, valt het kwartje: Andries kan zijn mond niet houden en concludeert er vrolijk op los terwijl zijn gast nog niet eens is uitgesproken. Argh, helemaal maf word ik daarvan.
En dan gaat kwartje twee door de gleuf. Het kwartje van herkenning. Het kwartje dat een klein mannetje met brilletje ziet. Een mannetje dat ook zijn giechel niet kon houden en aandacht vragend ongevraagd alles om hem heen van commentaar voorzag. Want stel je voor dat hij even niet werd gezien.
Oeps. Heel even schiet er een pijnscheut door mijn hele lijf. Gatver. De herkenning en herinneringen maken dat ik rechtovereind ben gaan zitten.
Dan haal ik opgelucht adem. Ik weet dat de patiënt aan de beterende hand is. Ik weet dat ik dat punt allang voorbij ben. Dat ik inmiddels al veel beter weet wanneer tot tien te tellen en dat zelfs de Pietje Bell methode heb genoemd. Ik weet dat ik inderdaad vaak mijn grote bek niet kon houden, maar nooit de provocerende toon aansloeg waarmee Andries Knevel mij wakker heeft geschud.

Gelet op het tijdstip scandeer ik nog net niet "Andries, Andries, Andries bedankt!" door het huis en buig ik in gedenkwaardige stilte voor mijn leermeester.